Gebruiker:Woutergubbels

Uit Elsterclopedie

Waterbeheer Westeraam (een historische ontwikkeling)

Inleiding

In bijgaand artikel wordt ingegaan op de veranderingen in de waterhuishouding die in de laatste eeuwen in Westeraam hebben plaatsgevonden. Onder waterhuishouding wordt hier verstaan het stelsel van watergangen dat dienst doet voor de ontwatering en afwatering van de gronden in Westeraam als antwoord op de wensen van grondgebruikers binnen de technische mogelijkheden.

Historische ontwikkeling waterhuishouding

Tot 1200

De waterhuishouding in Westeraam heeft een interessante ontwikkeling doorgemaakt. In de Romeinse tijd en ook ver daarna waren alleen de hoger gelegen stroomruggen langs de zuid- en westzijde van Westeraam bewoond. In die tijd hadden de grote meanderende rivieren in deze streken nog ruim baan. De bewoners beschermden zich tegen mogelijke overstromingen door het opwerpen van kaden. Voor de afvoer van overtollig water werden greppels gegraven. Deze greppels voerden het water af naar omringende lagere komgebieden. Al deze maatregelen hadden een zeer lokaal effect en werden veelal op buurschapniveau uitgevoerd. De periode tussen ca. 750 en ca. 1200 was relatief droog. Er was toen minder noodzaak om de waterkering en afwatering ingrijpend te verbeteren.

1200 - 1900

Rond 1200 begon er weer een relatief natte periode. In heel Europa was al vanaf 1100 een sterke bevolkingsgroei opgetreden. Om die bevolking te kunnen voeden nam de behoefte aan landbouwgrond sterk toe. In de Over-Betuwe en ook in Westeraam waren tot dan toe alleen de hoger gelegen oeverwallen bewoond en voor de landbouw in gebruik. Lager gelegen natte en moerassige komgronden, zoals die in het centrale en noord-oostelijke deel van Westeraam, werden nauwelijks of zeer extensief gebruikt. Aan de historische verkavelingstructuur in Westeraam is nog te zien dat de lager gelegen komgronden vanuit de reeds bewoonde hoger gelegen oeverwallen ontgonnen zijn. Graaf van Gelre, Reinald II heeft in 1327 het Ambtsbestuur van Over-Betuwe in het leven geroepen voor het beheer en onderhoud van de centrale waterafvoer, voor de centrale  waterkering en voor van het toezicht op de dorpspolders die betrekkelijk autonoom waren.

Ontwatering via pijpen en zegen

Om de lage en natte komgronden te kunnen ontginnen moesten deze eerst ontwaterd worden. Hiertoe zijn vanuit de hoger bewoonde stroomruggen in de richting van de lage gronden watergangen, in deze streek pijpen genoemd, gegraven. Vanuit Rijkerswoerd in zuidelijke richting, vanuit de omgeving van het Aamsepad in noordelijke richting, vanuit de huidige Rijksweg Noord in oostelijke richting en vanuit de huidige Lingestraat in westelijke richting.

Figuur 01 Historische verkavelingsstructuur

Op het laagste punt moest het water uit de pijpen afgevoerd worden buiten het gebied. Hiervoor is in het noordelijk gedeelte van Westeraam de Aamse Binnenzeeg gegraven. Deze voerde het water in westelijke richting af naar een lager gelegen waterplas in de buurt van de Raayen. Het hoger gelegen gedeelte van Westeraam voerde het water door de Aamse Pijp langs het Aamsepad en door de Kromhoekse Pijp langs de Aamsestraat af naar de Bemmelse Zeeg. Het begin van de Bemmelse Zeeg ligt in de buurt van de Kinkelburg in Bemmel. Deze Bemmelse Zeeg voerde het water aanvankelijk ook af op de waterplas bij de Raayen en liep het laatste stuk parallel aan de Aamse Binnenzeeg. Eind 13e, begin 14e eeuw is een wetering (Waalwetering genoemd) gegraven tussen een waterplas bij Doornenburg en de waterplas bij de Raayen in het Hollanderbroek. Deze Waalwetering lag op de plaats van de huidige Linge aan de noordkant van Westeraam. De Aamse Binnenzeeg en de Bemmelse Zeeg konden toen het water ten westen van Rijksweg Noord afvoeren op de Waalwetering.

Waal -en Rijnwetering

Figuur 02 Lingebruggen Crayontekening Chris Schut 1971
Figuur 03 Uitsnede kaart Polderdistrict Over-Betuwe 1871

Voor de afvoer van het water van de gebieden ten noorden van de huidige Linge en Westeraam is in dezelfde tijd ten noorden en parallel aan de Waalwetering de Rijnwetering gegraven. Beide weteringen waren gescheiden door een aarden wal. Een tekening van Chris Schut in 1971 geeft hiervan een goed beeld. Beide weteringen gingen bij Ochten over in één wetering die overging in de Linge die bij Gorcum in de Merwede stroomde. Buurschappen en polders regelden in die tijd hun eigen waterafvoer. Vandaar ook de vele parallel lopende watergangen in dit gebied. Zo zijn in de noordoost hoek van Westeraam ook parallel lopende watergangen gegraven te weten de Nijslagse zeeg en de Breedelaarse Zeeg die de afwatering van het Nijslag en de Bredelaar op de Waalwetering mogelijk maakten. Deze situatie heeft in Westeraam bestaan tot het midden van de 20e eeuw. In de 18e en 19e eeuw zijn er wel maatregelen genomen om de afvoercapaciteit van de Linge te verbeteren, met name bij Gorcum. Deze verbeteringen hadden evenwel nagenoeg geen gevolgen voor de waterstanden in de Waalwetering bij Elst. Rond 1850 werd vanuit Engeland drainage geïntroduceerd. Bekend is dat rond die tijd melding werd gemaakt van drainage met takkenbossen op een perceel van de heer A. Costermans in de buurt van Driel. Een kaart van het Polderdistrict Over-Betuwe van de situatie van 1871 geeft dan ook een goed beeld van de afwateringssituatie zoals die vanaf de 14e eeuw bestaan heeft.

Vanaf 1900

In het algemeen kan gesteld worden dat de waterhuishoudkundige maatregelen tot in het begin van de 20e eeuw in hoofdzaak gericht waren op waterkering (het voorkomen van overstromingen) en waterafvoer. In Westeraam was daarbij alleen sprake van waterafvoer. Het verschil tussen de hoogte van het maaiveld in Westeraam (gem. ca. NAP + 8,80m ) en de hoogte van de waterstand in de Waalwetering (gem. ca. NAP + 7,50 m) was meestal voldoende om een voor landbouwkundig gebruik benodigde grondwaterstand te handhaven. Gedurende korte perioden met hevige regenval en hoge waterstanden op de Waal kon de waterstand in de Waalwetering oplopen tot ca. NAP + 8,50m. Dan kon het water in Westeraam onvoldoende weg en trad er wateroverlast op in het bijzonder in het noordoostelijk deel. De grondwaterstanden in de landbouwgronden in Westeraam zijn mede afhankelijk van de afstand van de pijpen en de waterstanden daarin. Ook heeft kwel bij hoge waterstanden in de Waal en de Rijn een verhogende invloed op de grondwaterstand in Westeraam. Het is niet bekend of er in de loop van de tijd meer pijpen zijn gegraven om de grondwaterstand in de percelen te verlagen.
Figuur 04 Kaart Polderdistrict Over-Betuwe 1927

De Linge

In perioden met veel neerslag en/of hoog water op de Waal en Rijn kregen de waterstanden in de Waal- en Rijnwetering een zodanig peil dat afvoer vanuit de dorpspolders problemen gaf. Meer dan een eeuw lang heeft het vraagstuk van de Linge-afwatering de provinciebesturen van Gelderland en Zuid-Holland bezig gehouden. In de loop van de tijd is daarbij ook de problematiek van de waterinlaat ten behoeve van de landbouw, de scheepvaart, de volksgezondheid, de visserij en de industrie bijgekomen.

Linge-commissie

In 1924 hebben GS van Gelderland en Zuid-Holland de Linge-commissie ingesteld met de opdracht een onderzoek in te stellen naar de afwatering van het stroomgebied van de Linge en een plan met kostenraming en –verdeling op te stellen voor de verbetering van de bestaande toestand in het belang van de landbouw, scheepvaart, nijverheid en volksgezondheid. Alle waterschapsbesturen waren in de Linge-commissie vertegenwoordigd, behalve het bestuur van het Polderdistrict Over-Betuwe omdat de waterafvoer in haar gebied nagenoeg op orde was. De Linge-commissie heeft in 1927 haar rapport uitgebracht. Teneinde de waterhuishouding van Westeraam in een breder context te kunnen plaatsen zijn hieronder enige gegevens uit dat rapport opgenomen.

Plan Linge-commissie

De Linge begint als wetering in Doornenburg. Vanaf de polder Angeren bestaat de wetering uit twee, door een aarden wal gescheiden weteringen, de zuidelijke wetering is de Waalwetering, de noordelijke de Rijnwetering. Beide weteringen gaan bij Ochten over in één wetering. De afstand van het begin van de wetering bij Doornenburg tot de brug in Rijksweg Noord in Elst is 12,5 km. In het bovengedeelte van de Linge is deze niet bedijkt en lozen de hierop aangesloten polders vrij op de Linge. Het bovenstrooms gebied bij de brug te Elst bedraagt 4200 ha. Per km watert in dit gebied gemiddeld 336 ha af op de Linge. Het verhang van Doornenburg tot de brug bij Elst volgt terreinhelling en is gemiddeld ca. 0,12 m/km.

Boven de Zettense brug wordt het water in droge tijden op twaalf punten op afstanden van ongeveer 1,5 km door zeer eenvoudige stuwen opgehouden. De bovenste stuw was ca. 8 km boven Elst. Hoge waterstanden in de Rijn en de Waal veroorzaken kwelwater in de Linge. Met de gegevens uit onderstaande tabel wordt dit geïllustreerd. De gemiddelde waterstand in oktober 1913 bij de brug over de Linge in Rijksweg Noord in Elst (in de Waalwetering) is NAP + 7,45 m. bij een gemiddelde waterstand in de Waal bij Nijmegen van NAP + 7,90 m. Bij een Waalstand op 12 april 1905 van NAP + 11,10 m was de waterstand bij Elst NAP + 8,00m. In de periode van 29 december 1925 tot 4 januari 1926 is 95 mm regen gevallen. De hoogst bekende waterstand op de Waal is van 4 januari 1926 en bedraagt NAP + 13,74 m. Op 9 januari was de waterstand nog NAP + 13,70 m en de waterstand in de Linge bij Elst NAP + 8,91 m.

Waterstanden in m + NAP
Plaats Gem. Stand

okt 1913

12 april 1905 18 maart 1914 9 januari 1926
Elst

Waalwetering

7,45 8,00 8,48 8,91
Waal bij

Nijmegen

7,90 11,10 12,30 13,70

De Linge-commissie heeft berekend dat de kwel naar de Linge boven Tiel bij de hoogst bekende rivierstand van de Waal bij Nijmegen van NAP + 13,74 m gemiddeld 0,2 m3/sec per km rivierdijk bedraagt.

In het rapport van de Linge-commissie is opgenomen dat de maximum afvoer van de Linge bij de Grote brug bij Tiel met een achterliggend stroomgebied van 22.480 ha ca. 21 m3/sec. bedraagt. Dit komt neer op gemiddeld 0,93 l/sec.ha. Deze afvoer ontstaat uit een combinatie van de afvoer van neerslag met de afvoer van kwel bij gelijktijdig voorkomende hoge rivierwaterstanden. De in Tiel gemeten maximum afvoer in een regenrijke periode met relatief lage rivierwaterstanden is ca. 13,50 m3/sec. Dit is gemiddeld 0,6 l/sec.ha. De in Tiel gemeten maximum afvoer in een relatief droge periode met hoge waterstanden in de rivieren is ca.15,50 m3/sec. ofwel gemiddeld 0,69 l/sec.ha.

De op basis van gemeten maximum afvoeren berekende gemiddelde afvoeren in l/sec.ha wijken sterk af van de in latere jaren (plan Heidemij en Ruilverkaveling) gehanteerde afvoeren in l/sec.ha die op basis van onderzoek afgeleid zijn uit de ontwaterings- en afwateringsbehoefte van gronden die overwegend in landbouwkundig gebruik zijn. Voor de gronden en het grondgebruik in deze regio worden in die latere plannen afvoerwaarden gehanteerd van gemiddeld 1,35 l/sec.ha, opgebouwd uit 1 l/sec.ha voor de afvoer van neerslag en 0,35 l/sec.ha voor de afvoer van kwelwater.

In 1922 is door het Polderdistrict een waterinlaat gebouwd bij Hulhuizen. De elektrische pompinstallatie had een capaciteit van 8 m3/min. (133 l/sec) De invloed van deze waterinlaat bleek niet verder te reiken dan 7 á 8 km en slechts te kunnen voldoen aan de watervraag van enkele honderden hectaren. Voor het hele Polderdistrict van ruim 17.000 ha bleek de waterinlaat van weinig betekenis. Watertoevoer vanuit de Linge is nagenoeg niet realiseerbaar vanwege de lage ligging van de Linge in relatie tot de gronden die behoefte hebben aan water. Mogelijk zouden enkele gebieden bij Doornenburg, Lent en Huissen vanuit de Linge water toegeleverd kunnen krijgen door het water op te pompen uit de Waal. Voor een behoorlijke watervoorziening is 0,3 m3/sec nodig per 1000 ha. Voor het gebied van 17000 ha zou dan 5 m3.sec opgepompt moeten worden of 300 m3 per minuut. Dit vereist bij een opvoerhoogte van 3 m een pompcapaciteit van 200 WPK. Waterinlaat voor het hele Polderdistrict is hiermee praktisch niet realiseerbaar. Bij een inventarisatie in het Polderdistrict Over-Betuwe in de winter 1924/1925 (voor de hoogwaterperiode van jan. 1926) heeft ca 153 ha last van water op het maaiveld en ca. 247 ha (2,5%) is te nat zonder dat het water op het maaiveld komt, totaal heeft 400 ha wateroverlast. Als de inventarisatie na de hoogwaterperiode van januari 1926 uitgevoerd zou zijn, dan zou ongeveer 60% van het polderdistrict aangegeven zijn als gebied met wateroverlast (ruim10.000 ha).

Door een door de Linge- commissie in februari 1926 uitgevoerd onderzoek bleek 12 % van de oppervlakte van het Polderdistrict last van wateroverlast te hebben gehad, di. 2100 ha. In het gebied Westeraam is in de winter 1924/1925 geen wateroverlast gemeld. Bij de waterstand in de Waalwetering bij de brug in Rijksweg Noord op 9 januari 1926 van NAP + 8,91 m moet er gezien de gemiddelde hoogteligging van Westeraam van NAP + 8,80 m in de lagere gedeelten zeker wateroverlast geweest zijn. Uit een enquête van 1924/1925 in het Polderdistrict Over-Betuwe is gebleken dat in de maanden juli en augustus ca. 8500 ha last heeft van gebrek aan water. Dit gold ook voor het gebied Westeraam

Uit het rapport van de Linge-commissie kan geconcludeerd worden dat de waterstand in de Linge ter hoogte van Westeraam periodiek te hoog is voor een goede afwatering van het gebied. Beperkte afwateringsmogelijkheden geven problemen met de ontwatering en daarmee met de beheersing van een goede grondwaterstand ten behoeve van landbouwkundig of ander grondgebruik. De verbeteringsmaatregelen voor de Linge waren er primair op gericht de peilen bij hoge afvoeren te verlagen en daardoor de afwateringsmogelijkheden voor de op de Linge afwaterende watergangen te verbeteren en hiermee de gebruiksmogelijkheden van de aanliggende gronden, De plannen voor verbetering van de maatgevende afvoer van de Linge werden gebaseerd op de reeds eerder genoemde maximale afvoer bij Tiel van 21 m3/sec. Daarbij hoorde een waterstand van NAP + 4,80 m. De verbeteringsplannen waren er op gericht dezelfde hoeveelheid water af te voeren echter bij een 0,75 m lagere waterstand bij Tiel. Hierdoor konden meer polders vrij lozen op de Linge hetgeen een goede afwatering en ontwatering van landbouwgronden ten goede zou komen. Deze verbeteringsplannen zouden voor de Waalwetering bij de brug in Rijksweg Noord leiden tot een maatgevende hoogste waterstand van NAP + 8,05 m. bij een maximale afvoer van 4,2 m3/sec. uit een bovenstrooms gebied van 4200 ha. Dit betekende een verlaging van 0,60 m ten opzichte van de hoogste stand van 5-8 januari 1926 van NAP + 8,62m. Het profiel bij de hoogste stand is in de Rijnwetering 6 m2 en in de Waalwetering 7 m2.

Ofschoon het voor de hand lag bij de verbetering van de profielen van de Linge de wal tussen de Rijn- en de Waalwetering af te graven is hier niet voor gekozen omdat daardoor het profiel veel groter zou worden dan nodig is en omdat de wal op verschillende plaatsen als ontsluiting diende. Eventueel noodzakelijke verbreding wordt gezocht aan buitenoevers. Om te snelle afstroming van water tegen te gaan en voldoende water vast te houden in de Linge voor bijvoorbeeld waterinlaat of beregening zijn boven de Zettense stuw op 12 plaatsen met eenvoudige stuwen gepland.

Tussen 1927 en 1949 zijn diverse plannen gemaakt om de voorstellen van de Linge- commissie uit te werken in concrete uitvoeringsplannen met de daarbij behorende financiering.

Pas in 1949 waren de plannen zodanig uitgewerkt en was de financiering rond voor de uitvoering van de verbeteringswerken aan de Linge. In 1954 waren de verbeteringswerkzaamheden klaar. Volgens het Lingeplan zou de maatgevende hoogste waterstand in de Linge bij Elst 8,05m +NAP moeten worden. Dit is een verbetering van ca. 0,5 m ten opzichte van de vroegere gemiddeld hoogste waterstand.

De afvoercapaciteit van de Linge in de Over-Betuwe is in belangrijke mate verbeterd door de bouw van het van Kuykgemaal bij Lakemond (in gebruik genomen in 1954) ten noorden van Hemmen aan de Rijn. Het maalpeil bij het van Kuykgemaal is NAP + 5,70 m. De afvoercapaciteit van dit gemaal is ca. 1200 m3 / min.

In 1972 is een rapport verschenen betreffende de verbetering van de Linge, gelegen tussen de aftakking naar het Mr. H.J.H. Kuykgemaal en de Defensiedijk. In dit rapport is niet de benodigde verbetering van de afvoercapaciteit teneinde een lager hoogwater peil te realiseren als uitgangspunt genomen, maar de benodigde afvoer van neerslag- en kwelwater van de gronden die op de Linge afwateren. Als uitgangspunt is gekozen voor een gemiddelde afvoer voor de gehele Over-Betuwe van 1,35 l/sec.ha, waarvan 1 l/sec.ha uit neerslag en 0,35 l/sec.ha uit kwel. De gemiddelde drooglegging van alle gronden is 1 m – maaiveld.

In bijgaande figuur is de Linge ten noorden van Westeraam schematisch weergegeven met daarin de nummers van de leidingvakken en de maatgevende afvoeren van de Bemmelse Zeeg en van de hoofdwatergang in Westeraam.

55 ha, Q = 0.074 M3/sec HW: NAP+ 7,58m     270 ha, Q = 0,365 m3/sec, HW: NAP+ 7,45 m

55 ha, Q = 0.074 M3/sec HW: NAP+ 7,58m     270 ha, Q = 0,365 m3/sec, HW: NAP+ 7,45 m

De hoogwaterlijn in de Linge boven stuw ten westen van de Defensiedijk is NAP + 8,10 m, en beneden de stuw NAP + 7,50 m Bij de stuw bij de Hollanderbroekstraat is de hoogwaterlijn NAP + 7,10 m. en bij de brug in Rijksweg-Noord in Elst NAP + 7,30 m. Het gemiddelde hoogwaterlijn of streefpeil in de Linge ten noorden van Westeraam is NAP + 7,40 m. Het streefpeil voor de winterperiode ligt 0,25 m lager op NAP + 7,15 m.

De Linge is op basis van de uitgangspunten van dit rapport verbeterd.


Verbetering detailontwatering Westeraam (plan Heidemij)

Figuur 05 Detailontwatering Westeraam, plan Heidemij 1952

Vooruitlopend op de verbetering van de afvoermogelijkheden van de Linge is door Heidemij in 1947 met een aanpassing in 1952 een plan gemaakt voor verbetering van de detailontwatering van Over-Betuwe en dus ook voor Westeraam. Bij de plannen voor de verbetering van de afvoer van de Linge is uitgegaan van praktijkmetingen van afvoeren en daarbij behorende peilen in perioden met hoge neerslag en/of perioden met veel kwel uit de rivieren en is berekend in hoeverre de afvoercapaciteit door het installeren van meer pompcapaciteit en/of opheffen van knelpunten in de doorstroming hoge afvoeren beneden maximaal toelaatbare waterstanden konden worden afgevoerd. In het plan van Heidemij is voor de berekening van het afvoerende vermogen van de watergangen uitgegaan van de wensen die de grondgebruikers hebben ten aanzien van de drooglegging (de afstand van de gemiddelde maaiveldhoogte van een perceel en de waterstand in de watergangen) en de hiermee verbonden gemiddeld hoogste grondwaterstand in de percelen. Uit onderzoek is gebleken dat in deze gebieden akkerbouwgronden een drooglegging moeten hebben van 1,0 m en graslanden 0,7 m. Door de afstanden tussen de watergangen te verkleinen of te vergroten of met aanvullende drainage kan een goede ontwateringsdiepte (afstand van de maaiveldhoogte tot de grondwaterstand) in de percelen gerealiseerd worden. Bij deze uitgangspunten vanuit de grondgebruikers moet het teveel aan neerslag en kwel afgevoerd worden. Op basis van onderzoek is vastgesteld dat de watergangen in deze regio voldoende capaciteit moeten hebben om 1 l/sec.ha aan neerslag en 0,35 l/sec.ha aan kwel te kunnen afvoeren. Als er in de zomer behoefte is aan aanvoer van water moet gerekend worden op een aanvoercapaciteit van 0,3 l/sec.ha Deze afvoer- en aanvoervereisten bepalen in belangrijke mate de dimensionering van de watergangen. Het plan van Heidemij bestaat uit de aanleg van een hoofdwatergang voor de afwatering van Westeraam. Deze begint langs de (Nieuwe) Aamsestraat direct ten zuiden van de huidige Intratuin en loopt dan naar het noorden langs het Landaspad tot aan het Aamsepad. Vervolgens loopt de watergang in westelijke richting langs het Aamsepad tot de huidige Thermen de Lingetuin (anno 2023 kleinschalige ouderenzorg). Van hieruit gaat de hoofdwatergang in noordelijke richting naar de Aamse Binnenzeeg. In dit plan is de Aamse Binnenzeeg afgekoppeld van de Bemmelse Zeeg. Het water uit de Aamse Binnenzeeg en uit de centraal in Westeraam aangelegde watergang loost via een watergang met een stuw op de Linge. Het zuidwestelijk gedeelte van Westeraam watert nog af op de Bemmelse Zeeg door een duiker onder het spoor. In het plan van Heidemij zijn geen voorzieningen opgenomen voor de inlaat van water in droge perioden. In 1952 is met de uitvoering van onderdelen van het plan buiten Westeraam gestart. De uitvoering van het plan binnen Westeraam is vertraagd door de aanleg van de Defensiedijk, plannen voor RW 15 en de aanvraag voor een ruilverkaveling (1955).

Ruilverkaveling Over-Betuwe Zuid

Gezien de vele grootschalige infrastructurele werken in het gebied van het Polderdistrict Over-Betuwe en de daarmee samenhangende noodzakelijke aanpassingen van de structuur de landbouw en van de wegen en waterlopen heeft het gecombineerd College van het polderdistrict Over-Betuwe op 28 december 1954 besloten de Dijkstoel te machtigen voor het hele Polderdistrict een ruilverkaveling aan te vragen met als eerste urgentie het gebied Dalwagenseweg, Waalbandijk, Rijksweg Arnhem-Nijmegen en de Linge.

Figuur 06 Plan Detailontwatering Westeraam, plan Ruilverkaveling 1962

Binnen dit gebied van de Ruilverkaveling Over-Betuwe Zuid ligt ook Westeraam. De Ruilverkaveling is op 10 mei 1961 door GS van Gelderland goedgekeurd. In de ruilverkaveling zijn voor het plan van waterlopen de uitgangspunten uit het plan van Heidemij 1947/1952 overgenomen. Voor Westeraam is dat een afvoer van 1,35 l/sec.ha bij een drooglegging van bouwland van 1,0 m – maaiveld en voor grasland 0,7 m – maaiveld. Toegevoegd is dat per etmaal 8,7 mm neerslag afgevoerd moet kunnen worden. Rekening is gehouden met een watertoevoer van 0,3 l/sec.ha. Een en ander heeft geleid tot een streefpeil in de hoofdwatergangen van Westeraam van NAP + 7,60 m. In droge perioden kan water uit de Linge ten oosten van de stuw bij RW 325 ingelaten worden vanaf een peil van NAP + 8,10 m. In het plan voor de Ruilverkaveling Over-Betuwe Zuid is de afwatering van Westeraam geheel afgekoppeld van de Bemmelse Zeeg en via een zuid-noord lopende hoofdwatergang midden door Westeraam direct op de Linge aangesloten. Tevens is toen de mogelijkheid geschapen water in te laten via een hoofdwatergang ten westen van de Defensiedijk die door middel van een kunstwerk aangesloten is op de Linge boven de stuw bij de Defensiedijk met een HW-lijn van NAP + 8,10 m. Deze ruilverkaveling is in 1962 vastgesteld. Het plan van waterlopen in Westeraam is in 1972/1973 uitgevoerd.

In het ontwateringsplan voor Westeraam zijn enkele belangrijke verschillen met het plan van Heidemij uit 1952 te onderkennen. In het ruilverkavelingsplan is de afwatering van Westeraam geheel afgekoppeld van de Bemmelse Zeeg. De hoofdwatergang die van noord naar zuid midden door Westeraam loopt is in het ruilverkavelingsplan ca. 200 m naar het westen verschoven. Tevens is in het ruilverkavelingsplan de mogelijkheid tot waterinlaat uit de Linge boven de stuw bij de onderdoorgang van RW 325 opgenomen. De hoofdwatergang door het midden van Westeraam watergang wordt in droge perioden ook gebruikt voor de toevoer van water uit de Linge. Dit gebeurt dan door water boven de stuw in de Linge ten westen van RW 325 met een stuwpeil van NAP + 8,10 m in te laten in een watergang die in zuidelijke richting langs de Lingestraat loopt en na kruising met de (Nieuwe) Aamsestraat zowel water levert aan gronden in zuidelijk Elst als aan Westeraam. Dit laatste via een stuw in een watergang die ten zuiden van de (Nieuwe) Aamsestraat naar het westen loopt en vervolgens bij het beginpunt van de eerder genoemde afwateringswatergang bij Intratuin de (Nieuwe) Aamsestraat kruist.

Koepelplan Water Westeraam

Rond 2000 zijn plannen gemaakt om de waterhuishouding in Westeraam ingrijpend te veranderen ten behoeve van de nieuwe woonwijk Westeraam. (Grontmij). De uitgangspunten voor de waterhuishouding voor een stedelijk gebied zijn geheel anders dan voor een gebied met een overwegend landbouwkundige bestemming. In een stedelijk gebied zijn het vooral de woningen en de wegen die eisen stellen aan de maximale grondwaterstand. Bij de aanleg van wegen, waterlopen en de bouw van woningen en bedrijven komt grond vrij die over het algemeen in het gebied verwerkt wordt. Gestreefd wordt naar een zo goed mogelijk gesloten grondbalans. Voor Westeraam betekent een en ander dat het gebied gemiddeld 0,30 tot 0,40 m opgehoogd wordt tot een gemiddeld maaiveldniveau van NAP + 9,20 m. De wegen worden aangelegd op een niveau van NAP + 9,20 m (bovenkant weg). Het vloerpeil van de woningen wordt NAP + 9,50 m.

Het streefpeil in de watergangen is NAP + 7,70 m met als bovengrens NAP + 7,80 m en als ondergrens NAP + 7,50 m. Bij een bui die gemiddeld een keer in de tien jaar voorkomt mag de peilstijging niet meer zijn dan 0,28 m. Bij een zogenaamde Westlandbui ( een keer in de 100 jaar) mag de peilstijging niet meer zijn dan 0,57 m. De gemiddeld hoogste grondwaterstand mag onder wegen niet meer bedragen dan 0,7 m onder wegpeil en onder woningen niet meer dan 1,0 m onder vloerpeil.

De drooglegging, het verschil tussen de gemiddelde maaiveldhoogte en het streefpeil in de watergangen moet minimaal 1,0 á 1,2 m zijn. De waterdiepte in de watergangen moet in een zomersituatie minimaal 1,0 m zijn. In stedelijke gebieden komt regenwater via daken en verharde oppervlakten heel snel tot afvoer in de watergangen. Om te voorkomen dat het peil in de watergangen te snel stijgen moet het totale wateroppervlakte minimaal 7 % bedragen van de totale oppervlakte stedelijk gebied.

Uit het stedelijk gebied (plangebied) mag niet meer water worden afgevoerd naar de Linge dan wanneer dit gebied de landbouwkundige functie zou hebben behouden, namelijk maximaal 1,35 l/sec.ha. Meer afvoer moet tijdelijk opgevangen worden in de watergangen. De in Westeraam onder landbouwkundig voorkomende gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstanden zijn gemiddeld respectievelijk NAP + 8,0 m en NAP + 7,30 m

Figuur 07 Uitgangspunten waterhuishouding woongebied Westeraam 2001

In figuur 07 zijn de uitgangspunten voor de waterhuishouding van het woongebied Westeraam schematisch samengevat.Het stramien van waterlopen in een stedelijk gebied wordt ook in belangrijke mate bepaald door stedenbouwkundig e en architectonische uitgangspunten. Open watergangen vormen belangrijke elementen in een woon- en werkomgeving. Op basis van voornoemde uitgangspunten is een plan voor de waterbeheersing ontworpen dat is weergegeven in figuur 08


Figuur 08 Koepelplan Water Westeraam 2001

De waterhuishouding van het stedelijk gebied is geheel losgekoppeld van die van het resterende

landelijk gebied buiten de gestippelde plangrens. In het noordelijk en oostelijk landelijk gebied

worden de peilen en afvoeren aangehouden die er door de uitvoering van het Ruilverkavelingsplan

gerealiseerd zijn, namelijk respectievelijk NAP + 7,60 m en een afvoer van 1,35 l/sec.ha.

Binnen het plangebied is een carré van brede watergangen ontworpen met daarbinnen een bijna diagonaal in de vorm van een waterpartij in het centrum naar een grote waterpartij in het noordoosten.

Het carré van watergangen heeft een gemiddeld peil van NAP + 7,70 m en watert af op de Linge via een watergang met een stuw door het landelijk randgebied. Aan de oostzijde kan bij droge perioden water ingelaten worden door een leiding die water kan leveren vanuit de watergang langs de Lingestraat met een peil van NAP + 8,10 m die in droge perioden ook water levert aan de resterende landelijk gebieden via de stuw bij Intratuin.

Inlaatgemalen Doornenburg

Rond de eeuwwisseling zijn er steeds meer problemen ontstaan met de inlaat van water in de Linge uit het Pannerdensch Kanaal. De natuurlijke inlaat is langzaam dichtgeslibd en de capaciteit van het pontongemaal bleek bij droge tijden veel te gering. In 2005 is de natuurlijke inlaat vanuit het Pannerdensch Kanaal uitgebaggerd en tussen damwanden geplaatst waardoor er in de toekomst minder gebaggerd hoeft te worden. Tevens is het pontongemaal vervangen door twee nieuwe drijvende gemalen, de Panneling 1 en 2, ieder met een capaciteit van 2m3/sec. Deze gemalen worden ingezet als de natuurlijke waterinlaat in de Linge door een lage waterstand in het Kanaal niet meer mogelijk is. Anno 2024 wordt de inlaat bij Doornenburg vernieuwd.

Nabeschouwing

Uit de geschiedenis van de waterhuishouding van Westeraam komt naar voren dat de intensiteit van grondgebruik in belangrijke mate bepalend is geweest voor de wijze waarop met de afvoer van water is omgegaan. Vanaf de ontginningen die in de 12e eeuw begonnen tot het begin van de 19e eeuw streefden de bewoners naar een zodanige afvoer van water dat de landerijen niet blank kwamen te staan. De gewassen die men verbouwde waren aangepast aan de natuurlijke bodem- en wateromstandigheden ter plaatse. Het was onder die omstandigheden belangrijk dat de sloten en greppels konden afwateren op een watergang die het water naar buiten het gebied bracht. Het peil en de afvoercapaciteit van de ontvangende watergangen waren eigenlijk bepalend voor de afvoermogelijkheden. De werkzaamheden van de Linge-commissie waren dan ook gericht op het vergroten van de afvoercapaciteit van de Linge en het verlagen van de waterpeilen zodat zoveel mogelijk polders hierop konden lozen. De mogelijkheden die er waren om de afvoercapaciteit aan het einde van het watersysteem te vergroten en de peilen te verlagen bepaalden de mogelijkheden van grondgebruik aan het begin van het watersysteem.

Eind 19e en begin 20e eeuw is de intensiteit van het bodemgebruik toegenomen en daarmee ook de eisen die aan de gebruiksmogelijkheden van de grond en de daarin voorkomende grondwaterstanden gesteld worden. Het was voor de teelt van de meeste gewassen niet meer voldoend dat er geen water op het land kwam te staan. Voor de bewerking van de gronden en de groei van de gewassen was het nodig dat de grondwaterstand in de droge zomermaanden niet hoger komt dan 0,70 m tot 1,00 m beneden het maaiveld en dat tevens de grondwaterstand in de droge zomermaanden niet lager wegzakt dan 1,20 m tot 1,50 m beneden maaiveld. Deze randvoorwaarden bepaalden de eisen die aan de afwatering en watertoevoer gesteld werden. Inmiddels waren de technieken zover ontwikkeld dat ook aan de bijbehorende afvoercapaciteiten en peilen voldaan kon worden.

In het begin van de 21e eeuw is de intensiteit van grondgebruik in Westeraam nog veel verder toegenomen door de bouw van de nieuwe woonwijk. De eisen die een woonwijk aan de waterhuishouding stelt zijn weer van een geheel andere orde. Woningen, kantoren, bedrijven en wegen eisen een grondwaterstand die niet hoger komt dan 1,00 m beneden vloeroppervlak. Bovendien komt in een stedelijk gebied met veel daken en verharde oppervlakken neerslagwater zeer snel tot afvoer. Dit in tegenstelling tot een landelijk gebied waar het neerslagwater langzaam in de grond zakt en geleidelijk tot afvoer komt. Omdat stedelijk water veelal door watergangen van een landelijk gebied afgevoerd moet worden, moeten er in het stedelijk gebied maatregelen genomen worden om het water tijdelijk te bergen zonder dat dit tot wateroverlast leidt. Hiertoe worden in stedelijke gebieden waterpartijen en vijvers aangelegd met een oppervlakte van minimaal 7% van de bebouwde en verharde oppervlakte. Tevens worden maatregelen genomen om te voorkomen dat extreme buien (bijvoorbeeld extreme buien die 1x per 100 jaar voorkomen) tot overstromingen en tijdelijke wateroverlast zullen leiden. De investeringen in stedelijke gebieden en daarmee de potentiële schade bij wateroverlast rechtvaardigen zware eisen aan de waterhuishoudkundige inrichting en het beheer. Het voldoen aan zware eisen rechtvaardigt ook een grotere bijdrage van de stedelijke grondgebruikers aan de kosten van het waterbeheer.

De ontwikkeling van de waterhuishouding in Westeraam weerspiegelt in grote lijnen de intensivering van het grondgebruik in dit gebied in samenhang met de ontwikkeling van kennis en techniek om vanuit het grondgebruik de gewenste waterhuishouding ook daadwerkelijk te kunnen realiseren.

Bron

Bovenstaande tekst is geschreven door J.T.J. Beeren welke hij heeft gebruikt in een lezing voor Marithaime op 15 januari 2007. Hij is lid van Marithaime en de werkgroep Westeraam